|
(Interview en portret door Ben Kragting Jr. (uitgave Dr. Jazz Magazine)
"Een kwestie van gevoel en grote oren"Jazzpianist Rob Agerbeek doorliep een opmerkelijke carrière in de jazzwereld. Begonnen als boogie-woogie pianist ontwikkelede hij zich in de jaren zestig tot een gerenommeerd en succesvol hardbop –pianist. Hij bleef in deze periode tevens met succes de boogie-woogie stijl trouw. Dit was in de jazzscene van de jaren zestig en zeventig al uitzonderlijk. Het werd door de jazzcritici en kenners nog moeilijker te vatten, toen hij vanaf eind jaren zeventig ook nog een naam maakte als pianist van oude stijl orkesten. Momenteeel maakt hij deel uit van ons nationaal monument "The Dutch Swing College Band", en ook hier oogst hij lovende kritieken. Door jaren heen werd hij hooggewaardeerd als begeleider van vele Amerikaanse jazzgroten. In al deze verschillende entourages weet hij zijn eigen stijl te bewaren. Bescheiden en dienstbaar als begeleider, maar swingend en bluesy als solist. In zijn Rob Agerbeek discografie zegt Gerard Bielderman het puntig nl.: "Zijn muzikale opvattingen zijn helder en logisch. Ze gaan terug op zijn eerste kennismaing met blues en boogie-woogie en zijn later aangevuld met elementen uit de bebop en de hardbop periode". Op een andere manier weet Agerbeek een brug te slaan tussen blues, boogie-woogie, bop en oude stijl jazz. Hoog tijd om eens nader kennis te maken met deze veelzijdige musicus. De vroege jaren "Mijn naam is Rob Agerbeek en ik zag het levenslicht in het voormalige Batavia (nu Jakarta) in Nederlands Indië op 28 september 1937. Voor de oorlog heb ik Nederland al bezocht. Mijn vader werkte bij de K.PM. (Koninklijke Pakketvaart Maatschappij) als werktuigbouwkundige op het schip de M.S. Ophir. In 1939 ging hij voor een half jaar met langdurig verlof naar Nederland. "Een koude neus halen", zei men toendertijd. Net voor de inval van de Duitsers zijn we met een geblindeerde trein naar Marseille gereden. Toen we daar aankwamen, vielen Duitse troepen al België binnen. Vanuit Marseille zijn we per schip teruggegaan naar Nederlands Indië. In december 1941 vielen vervolgens de Japanners de archipel binnen en op 8 maart 1942 capituleerde het KNIL. Tijdens de oorlog was mijn vader afwezig. Zijn schip werd door de geallieerden gecharterd om als Rodekruisschip dienst te doen. Hij heeft steeds op Afrika gevaren en de landing op Sicilie meegemaakt, want men moest alle gewonden van vriend en vijand oppikken. Tijdens de Japanse bezetting van Nederlands Indie is ons gezin de dans ontsprongen. Ons gezin bestond toen uit mijn grootvader, mijn moeder, mijn zusje en ik. De Jappen hadden een bijna heilig ontzag voor oude mannen en toen ze ons gezin kwamen ophalen voor het kamp en mijn zieke grootvader zagen, besloten ze, dat ze later wel terug zouden komen om ons op te halen. We moeten vandaag de dag nog opgehaald worden! Wij moesten toen rondkomen van de inkomsten die mijn moeder verwierf met het geven van pianolessen. Ze had in die tijd 40 leerlingen in de week. Mijn moeder had, voor ze met mijn vader trouwde, in Nederland gewoond. Ze was als jong meisje in Nederland komen wonen met haar ouders en twee broers en was hier op school gegaan, waaronder het Haagsch Conservatorium. Zij heeft deze studie in Brussel afgerond. Mijn moeder was een bijzondere vrouw, want ze had naast de klassieke muziek een grote liefde voor jazzmuziek. Dit alles tot grote afkeuring van mijn grootvader, die altijd zei: "Wilde negermuziek, mijd dat nu, dat geeft geen pas. Speel maar gewoon Liszt, Chopin en Rachmaninow". Mijn moeder speelde echter ook stiekem Duke Ellington. Zo leerde ik al jong Ellington kennen van de bladmuziek van Sophisticated Lady en East St Louis Toodle Oo". Een weerbarstige pianoleerling "Ik heb om precies te zijn anderhalve pianoles van mijn moeder gehad. Mijn moeder had, zoals ik al zei, ongeveer 40 leerlingen, voor wie ze wekelijks alle geduld moest opbrengen. Op een bepaald moment had ik iets uitgevreten en toen zei mijn moeder: "Jij moet ook op pianoles, want elke keer dat buiten spelen dat hoort niet". Maar na anderhalve pianoles gaf ze het op en zei ze: "Ga jij maar buiten spelen, want je leert het toch nooit!" Mijn moeder kon voor mij niet meer het extra geduld opbrengen, dat had ze al gegeven aan haar 40 leerlingen". Pianistische laatbloeier "Ik ben pas piano gaan spelen, toen ik 17 of 18 jaar oud was. We woonden toen al in Nederland, want in 1954 zijn we uit Indonesie geschopt als zijnde Nederlands gerelateerd. In Indonesië had ik al kennis gemaakt met boogie woogie. We kregen van mensen, die naar Nederland vertrokken wel eens de platencollectie en daar zat een 78 toerenplaat bij van Albert Ammons, Tuxedo Boogie, en die sprak me wel aan. In Nederland aangekomen, zocht ik in platenzaken naar platen van Johnny Maddox en Winifred Atwell. Via mijn neef kwam ik met mensen in aanraking, die mij wezen op het echte boogie woogie werk van Albert Ammons, Pete Johnson en Meade Lux Lewis. Ook ontmoette ik via mijn neef pianist Hein van der Gaag en die speelde het al en daar was ik helemaal door geboeid. Die man heeft mij dermate geprikkeld, dat ik me dat stijltje in een mum van tijd ook eigen ging maken. Voordien had ik wel eens op de piano zogezegd gepriegeld, nadat mijn moeder met haar lessen klaar was. Dat deed ik dan op de zwarte toetsen, hetgeen voor mij makkelijk te grijpen was. Maar mijn interesse ging toch voornamelijk uit naar voetballen, windbuks schieten en allerlei andere dingen die niet mochten".
Winnaar van de AVRO Jazzcompetitie (1956), het Haags Jazzconcours en het Nationaal Jazzconcours (1958)"In 1956 deed ik met mijn boogie woogie kwartet mee aan de AVRO Jazzcompetitie. Het kwartet bestond toen uit Gerry Teekens (drum), Koos Montfoort (bas) en op elektrische gitaar Han ter Keurs. Deze laatste maakte al spoedig daarna plaats voor Koos van der Hoeven. De jury bij de AVRO Jazzcompetitie bestond toen uit o.a. uit radiopresentator Roel Batten en Guus Jansen jr. We wonnen toen een eerste prijs samen met het oude stijlorkest The Lion Hill Jazzmen onder leiding van klarinettist/baritonsaxofonist Karel Fray. De eerste prijs was een gedeelde prijs, omdat Karel Fray met een grotere bezetting werkte en een meer gevarieerd programma bracht. Ik won een tegeltje en we mochten als prijs in een radio uitzending spelen, dus gingen we met de trein naar Hilversum en speelden o.a. You Are My Sunshine Boogie, Boogie Woogie At The Civic Opera. Twee jaar later deed ik, met mijn kwartet mee aan het Haags Jazzconcours. Dit concours was georganiseerd door de Lycisten Bond Grotius LBG. In dat kwartet van 1958 zaten bassist Jan Fens, drummer Gerry Teekens (dm), die tegenwoordig eigenaar en producent is van Criss Cross Records, en Wim Hoogsteder op gitaar en Rob Agerbeek(p). Op het Nationaal Jazzconcours speelde Henk Bosch van Drakenstein (oftewel Henk Wood) op bas mee. We speelden toen al wat meer modernere stukken van oa. Flip Philips en ook al een compositie van mezelf, getiteld Goofy. We wonnen de eerste prijs op beide concoursen. De eerlijkheid gebiedt te zeggen, dat het mede kwam door het eclatante spel van Wim Hoogsteder op gitaar. De jury van het Nationaal Jazzconcours bestond uit oa. Wouter van Gool, Skip Voogd, Peter Schilperoort, Theo Uden Masman en Frans Elsen. Niet de minsten allemaal." Slimme autodidact "Ondanks de prijzen die ik won, kan ik alles behalve zeggen, dat ik in die tijd al alle "foefjes" en technieken op de piano kende. Tot 1956 speelde ik hoofdzakelijk boogie-woogie. Ik kreeg dat wel in snel tempo in de vingers, toen ik dat hoorde. Vervolgens hoorde ik Paul Ruys spelen op HBS-feestjes en pianisten als Max Liem en Joop Schrier. Mijn moeder heeft mij heel erg geprikkeld. Zij was in dat opzicht heel erg progressief. Zij wees mij op Rob Madna, ook een Indische jongen en een heel goede jazzpianist, en zij kocht platen van Errol Garner en later Bill Evans. En vergeet niet, dat ik van kleins af aan de hele dag piano hoorde, dus ik kende van gehoor alle toonladders, akkoorden en loopjes.
Wat later maakte ik kennis met Frans Elsen en die kwam vaak bij mij spelen en dan keek ik alleen maar. Hij gaf me dan wat tips: zo moet je dat doen en die linkerhand moet je steviger spelen. Hij heeft me nooit les gegeven. Ik leerde gewoon in een heel snel tempo, maar wel slechts tot een bepaald niveau moet ik bekennen, maar goed genoeg om aan concoursen mee te doen en indruk te maken op een jury. Verder is het allemaal een kwestie van gevoel en grote oren.Doordat ik in wezen autodidact ben, speelde ik in rare toonsoorten, want ik speelde op het gehoor. Pas later ben ik standaardstukken, zoals All The Things You Are, in de juiste toonaarden gaan spelen. Het voordeel van autodidact zijn is, dat je dingen sneller hoort, maar het nadeel is, dat je eigenlijk niet weet wat je aan het doen bent. In bands werd ik erop geattendeerd, dat ik op een bepaalde manier een akkoord moest spelen en dat deed ik en dan kwam vaak de herkenning: " O, dat is het!" Zo ben ik uiteindelijk in de betekenis van akkoorden gaan duiken, maar ik heb geen harmonieleer gestudeerd. Ik heb zelf de boeken gezocht en mezelf alles over de akkoorden geleerd." Van boogie-woogie naar hardbop "Rond 1965 maakte ik via schoolvrienden kennis met de muziek van Gerry Mulligan. Je weet wel, die platen op het label Swing met Line For Lions en Walking Shoes. Ik vond dat eigenlijk allemaal een beetje moeilijk te volgen muziek. Ik vond het toen niet funky genoeg. Ik vond Westcoast toen slap, clean en erg overgearrangeerd, dat pakte me toen niet zo erg. Nu natuurlijk wel. Nu overzie ik dat allemaal. Via Hein van der Gaag maakt ik eind jaren vijftig kennis met het Jazz At The Philharmonic gebeuren van Norman Granz. Zijn broer was voor een vliegeropleiding in Canada gestationeerd en was daardoor in de gelegenheid de platen van Norman Granz' Jazz At The Philharmonic voor broer Hein te kopen. Toen ik die platen hoorde, werd ik al meteen gepakt door het spel van pianist Oscar Peterson. Ook Erroll Garner, maar dat is zo'n vasstaande stijl, om dat nu te gaan immiteren vond ik ook niets. Maar Peterson opende voor mij de mogelijkheid om zelf mijn recepten erin te brengen. Ik kon me toen al niet helemaal meer vinden in het alleen maar spelen van boogie-woogie. Alhoewel de boogie-woogie voor mij toch heel basic is en het heeft mijn spel denk ik ook wel beinvloed wat het bluesgevoel betreft. Ik kreeg in die tijd ook steeds meer de behoefte om al die harmonieën te doorgronden. Via Peterson kwam ik naar de hardbop. Gerry Teekens kwam op een bepaald moment thuis met platen van Art Blakey And The Jazzmessengers, zoals Blues March en zo leerde ik het pianospel van Horace Silver kennen. Weer anderen wezen op Bud Powell en Hank Jones. En ik herinner me, dat ik een keer door een ruitje zat te gluren bij de Vliegende Hollander in Scheveningen en daar speelde opeens een pauzepianist, Rob Madna, en daar was ik helemaal door overdonderd. Dat deed me weer denken aan Al Haig, en ook dat prikkelde me weer. In de jaren zestig was de Nederlandse Jazzscene niet echt hardbop georiënteerd. Toen ik voor het eerst kennis maakte met de platen Jazz Behind The Dikes, vond ik dat toch allemaal een navolging van de Westcoast sfeer. Ook qua smaak voor de hardbop week ik in die tijd al af van anderen, alhoewel The Diamond Five toch al Had Bop brachten.
Pianist Horace Silver bewonderde ik in het bijzonder, vooral omdat zijn composities de mogelijkheid verschafte om zijn eigen stijl te spelen en die stijl was funky. Nummers als Opus Defunk, Strolling, The Preacherm, Room 608,vond ik erg blues georiënteerd.Ondanks dat de constructie van die stukken anders was, waren die nummers toch blues gerelateerd. Dat pakte me meeteen. Ik heb later ook een groep gevormd naar zijn voorbeeld. Ik heb toen niet zijn nummers gespeeld, want ik componeerde mijn eigen stukken, maar eigenlijk kon ik de Silver sfeer niet ontlopen. Ik heb met die formule twee LP's gemaakt en daar veel succes mee gehad." (Rob Agerbeek Quintet, Polydor 2441040 en Munich BM 150209). Van beroepsmuzikant naar een dubbelleven "In eerste instantie zou ik geen beroeps worden. Na de MULO ben ik naar de kweekschool voor onderwijzers gegaan om onderwijzer te worden, maar na tweeenhalf jaar ben ik afgehaakt. Ik ben toen een beetje gaan zwerven, samen met de bekende Haagse schilder Artie Struwer en andere Haagse lieden. En zo kwam ik in Zweden terecht. Ik heb daar borden gewassen en 's avonds in een jazzclub gespeeld. Daar kwam ik aanraking met de bekende baritonsaxofonist Lars Gullin en ik mocht met hem meespelen. Het eerste stuk, dat ik met hem speelde was Darn That Dream en daar heb ik ontzettend mijn best op moeten doen. Ik was toen helemaal niet gewend aan het begeleiden van zo iemand. Toen ik eind 1959 uit Zweden terugkwam, kreeg ik een telefoontje van orkestleider Gert Heul, met een aanbod om in zijn band te spelen. Die band werkte voor Amerikaanse militairen in Frankrijk en speelde algemene jazz- en dansmuziek. Het was de Peggy Miller Band genoemd naar de zangeres en vrouw van de bandleider. Dat was eigenlijk de start van mijn beroepscarrière als beroepspianist. Ik heb bij de band gespeeld tot 1962 en heb vervolgens bij The Diamond Five gewerkt. In 1965 ben ik getrouwd, maar mijn schoonvader zag het niet zitten, dat zijn dochter met een muzikant trouwde en hij wilde graag, dat ik settelde en een huis kocht. Via een uitzendbureau kreeg ik een kantoorbaan en dat resulteerde in een vaste baan. Nou daarna zijn de kinderen gekomen en ik ben 32 jaar lang tot mijn pensioen in 1997 blijven hangen op dat kantoor. Ik had bestaanszekerheid en kon toch mijn jazzmuziek blijven spelen, alhoewel ik wel meer dan eens mooie aanbiedingen heb moeten afwijzen, omdat ik vastzat aan een kantoorbaan. Eigenlijk had ik dus een dubbelleven".
The Diamond Five (1962-1964)"In 1962 werd ik gebeld door bassist Jacques Schols of ik in de plaats van Cees Slinger bij "The Diamond Five" wilde komen spelen en dat heb ik met beide handen aangegrepen. Ik leerde er saxofonist Harry Verbeke kennen. (In 1979 en 1982 nam het Rob Agerbeek Quartet twee LP's op met Harry Verbeke voor het label Timeless, deels heruitgegeven op CD Timeless CDSJP334). The Diamond Five had in die tijd haar home in Sheherezade in Amsterdam. The Diamond Five was voor mij een groep, die appelleerde aan mijn smaak van Art Blakey's Jazzmessengers en het Horace Silver Quintet en het was tevens een hele eer om daarbij te kunnen spelen. Behalve stukken van Blakey en Silver speelden ze ook stukken van Stan Getz. Voor mij was dat de kans om me te kunnen profileren. Voor mij was dat toch wel een graadmeter, als je daarvoor gevraagd werd. Ik heb tot 1964 met die band gespeeld en via deze job kwam ik ook in aanraking met musici zoals Don Byas. Boogie-Woogie en hardbop? Get Real! In de jaren zestig raakte Rob Agerbeek steeds meer betrokken in de hadbop muziek en begeleidde hij diverse Amerikaanse jazzmusici, toch bleef hij ook actief met zijn Boogie Woogie Quartet. (tot 1965). Hoe werd dat door collega jazzmuzikanten bekeken? "In hoofdzaak werd daar wat meesmuilend op neergekeken. Pia Beck hebben we dat al horen doen en dat is voor haar rekening, maar dan komt er nog weer zo'n mannetje! Maar naarmate de tijd vorderde, waren collegea jazzmuzikanten zo zoetjes aan wel gewend geraakt aan mijn combineren van stijlen. Ik heb me van al die meningen toch nooit wat aangetrokken. Het is maar hoe je het bekijkt. Een van de eerste Amerikaanse muzikanten, die ik moest begeleiden met mijn kwartet was zanger Al "Fats" Edwards, die in plaats van Big Bill Broonzy naar Nederland was gekomen. We speelden met hem op een festival in Den Bosch. Op datzelfde festival speelde ook het Wessel Ilcken Kwartet met Frans Elsen.
Was dat goed zeg! Oh!En wij moesten Edwards begeleiden en speelden voornamelijk veel van die Gospels en Spirituals. Dat voelde helemaal niet lekker aan. Later heeft juist Frans Elsen mij bekend, dat ik door mijn boogie-woogie achtergrond een goede bluesfeel had, die ook werkte voor jazzmuziek. Hij miste die "feel" bekende hij. Frans Elsen kwam van het conservatorium en had meer klassieke achtergrond. Ik kwam uit een heel andere hoek en was voornamelijk autodidact. Ik vond die opmerking van hem heel aardig." In de loop der jaren begeleidde Rob Agerbeek diverse grote Amerikaanse musici. Een aantal van de muzikanten, met wie Rob Agerbeek intensiever werkte, laten we met hem de revue passeren. Nelson Williams(ca. 1962/1963) "In 1962 speelde ik met trompettist Nelson Williams (1917-1973). Hij was in die tijd al weg bij Duke Ellington. Hij woonde in die tijd in Voorburg en ik moest hem met mijn trio begeleiden voor een aantal optredens. Zo speelden wij o.a. in een tent, die pal lag naast De Vliegende Hollander in Scheveningen, waar ook Pia Beck optrad....Via een tussendeur was er zelfs een verbinding tussen beide locaties. Nelson Williams kwam dan op zijn fiets met zijn trompet onder de arm naar het optreden. Met alle respect, maar Williams was echt wat je noemt een problematische man. Ik vond hem geweldig trompet spelen in zijn idioom, maar de man had een soort racistisch complex. Je hoefde maar iets verkeerd te zeggen en het was tijd. Ik begeleidde hem met mijn trio, dat destijds bestond Ruud Pronk (dm) en Dick van der Capellen (b), ook allebei Indische jongens. Op een gegeven moment vond Nelson Williams blijkbaar, dat we hem te druk hadden begeleid. (Achteraf gezien vrees ik ook, dat we hem te bebopperig hebben begeleid). Midden in een nummer, terwijl ik aan het spelen was, sloeg hij zijn grote handen op mijn handen en legde het spel stil. En dat voor publiek! Ik dacht eerst, dat het een sketch of een act was. Niet dus! Dreigend vroeg hij: "Hey boy, what the hell are you doing? Who do you listen to? Tell me?" Ik zei helemaal verbrouwereerd: "Wynton Kelly". Williams: "Wynton who? Who else?" Ik zei: "Horace Silver". Williams: "Horace who??"en toen sprak hij de legendarische woorden: "Boy you should listen to Billy Kyle". Ik kende natuurlijk Billy Kyle wel, maar destijds had ik veel meer aspiraties in modernere stijlen en was Kyle geen voorbeeld voor mij. Nou en toen mengde zich Dick van der Capellen in het gesprek en vroeg "What is the trouble?", waarop Williams hem toebeet "You shut your mouth." Toen keek hij naar mijn begeleiders, alsof die tegen hem samenzweerden en zei toen: "Oh, ik heb jullie al door, jullie zijn van datzelfde soort". Dat heb ik als bijzonder pijnlijk ervaren.
Ook kwam er eens een keer een heel stel van die blonde Amerikaanse jongens en meisjes van de Amerikaanse school in Wassenaar luisteren. Allemaal blanke kinderen! En die hadden het lef hem een verzoeknummer te vragen. Hij wees ze keihard af."Get lost". Ik denk dat Nelson Williams in het zuiden van de V.S. was opgegroeid, want die man had echt aanpassingsproblemen. Zelfs Don Byas had daar genoeg van. "Hoe heb je dat kunnen uithouden met die Uncle Tom?", zei Don later, toen hij van dit verhaal hoorde. Heel tragisch is, dat zijn achterdocht hem in feite fataal is geworden. Hij leed aan trombose en hij had hiervoor pillen gekregen. Hij nam die pillen niet, omdat hij de arts, die blank was, niet vertrouwde! Triest." Tenorsaxofonist Don Byas (1964/1965 en later) "Na The Diamond Five werd ik door tenorsaxofonist Don Byas (1912-1972) gevraagd om met hem een groep te vormen en zijn pianist te worden. In deze groep zaten verder Leon de Ruijter (dm) en Tony van Hall (b). Don speelde ook af en toe in Frankrijk in een wintersportplaats en dan ging ik mee. Don Byas was een heel boeiende figuur. Hij was naar mijn smaak eigenlijk een beetje een verdwaalde swingtenor, die met ingewikkelde loopjes zijn verhaal wist te vertellen. Echt een transitiesaxofonist. Als ik hem hoorde spelen, dacht ik altijd aan Lucky Thompson en Benny Golson, die eigenlijk uit hem waren voortgekomen. Als persoon was hij heel gemakkelijk, en hij wist je op je gemak te stellen. Als muzikant stelde hij toch wel zijn eisen en ik heb veel van hem geleerd.
Een keer maakte ik een blooper. Toen speelden we in Frankrijk voor een chique gezelschap en Don wilde Blues in The Night spelen. Ik dacht een echte blues, dus voor mij geen probleem. Maar het was geen bluesnummer! En dan zei Don: "Ik zal je de akkoorden maar geven, want wat je deed was wel leuk, maar het was het niet!" Ook legde hij je duidelijk uit, hoe hij bepaalde introducties van een nummer wilde hebben, en had hij een uitgesproken opvatting over de manier waarop je Monkstukken moest spelen, zoals Round Midnight en Monk's Dream, want hij speelde erg graag Thelonius Monk. Of hij legde mij uit, dat ik de bebopklassieker 52nd Street Theme op een verkeerde manier speelde, in het tussenstuk moest je dat en dat akkoord spelen. Hij kon het weten, want hij had in die beroemde tijd met Dizzy Gillespie gewerkt en met hem mocht ik nu spelen! Erg leerzaam." Tenorsaxofonist Ben Webster (1972) "Heel anders daarentegen was tenorsaxofonist Ben Webster (1909 -1973). Ik heb met Ben Webster heel veel gewerkt en hij was ingenomen met mijn pianospel. Ben Webster was een grote en dikke man, maar had voor zijn postuur een hoog stemmetje. Als hij mij zag, zei hij met dat hoge stemmetje: "Pianoman"en dan sloeg hij de armen om mij heen en dan werd ik helemaal platgedrukt tegen dat grote lijf, en dan was het, oef, mijn ribben! Ben Webster was als persoon onvoorspelbaar. Hij kon ineens heel explosief zijn, als hem iets niet zinde van het publiek of iets dergelijks. We speelden een keer in de Doelen in Rotterdam en er waren mensen op de voorste rij aan het kwebbelen midden in een ballad. Dat was heel toepasselijk How Long Has This Been Going On. Op een bepaald moment hield hij midden in die ballad op met spelen en zei heel dreigend tegen die kwebbelaars "Dames en heren, sorry, als ik u stoor in uw conversatie, zeg het dan, want dan hou IK even op". En toen kon je een speld horen vallen. Ik heb vervelende dingen meegemaakt met Webster, maar het was anderzijds ook een heel lieve man." Wordt vervolgd met deel 2 !!! |