"Een kwestie van gevoel en grote oren"Interview en portret van Rob Agerbeek door Ben Kragting Jr. (uitgave Dr. Jazz Magazine) deel 2 De tenoren van Dexter Gordon en Ben Webster Een ander incident heb ik meegemaakt, toen ik met mijn trio, bestaande uit Henk Haverhek(b) en Tony Inzalco(dm), Ben Webster en Dexter Gordon samen moest begeleiden tijdens een optreden in jazzclub De Wip in Naaldwijk in 1972. Er was een schare fans. Zij waren eigenlijk voor Dexter gekomen, maar Ben Webster was er ook geprogrammeerd. Die beiden "veelden" elkaar op dat moment niet. Ieder had zijn eigen nummers, maar op een bepaald moment gingen ze samen Body And Soul spelen. Dexter boog zich toen naar mij toe en zei: "My way, please". En dank moest ik het op een Coltrane manier spelen, een beetje hangend op akkoorden en met verdubbeling van tempo. Dat deed ik dan heel trouw. Alsof hij door een slang was gebeten, keek Ben Webster op en zei tegen Dexter: "Hey boy, wat doe jij nou? Potverdorie. Hoe durf je dat, jochie?" Webster was woest. Hij heeft toen zijn gedeelte af gemaakt en Dexter nam het over en die twee hebben elkaar niet meer aangekeken en ik zat daar tussenin..... Later heb ik gehoord, dat Wim Wigt hen naar het viegveld had gebracht, maar Webster keek Dexter niet meer aan, hij wilde niets meer met dat jochie te maken hebben. Nog wat later in Kopenhagenwas Webster uitgenodigd bij een optreden van Dexter met wat Denen erbij en bij die gelegenheid gaf hij Dexter een gouden aansteker en zei "Zand erover!" In 1972 verscheen er een dubbel-LP op Dexterity Records van Dexter Gordon en het Rob Agerbeek Trio in de Haagsche Jazzclub, getiteld "All Souls". Ik had al een hele tijd met Dexter gespeeld in den lande, en ook in Duitsland. En toen moesten we uitgerekend in de Haagse Jazzclub spelen, een echte oude stijl club. Toch is het optreden een groot succes geworden. De opnamen, die in de club werden gemaakt, zijn uitgegeven op LP. Niet alle stukken overigens. De tenoren van Dexter Gordon en Gene Ammons(1973) "Op 19 juli 1973 heb ik Gene Ammons(1925-1974) samen met Dexter Gordon moeten begeleiden. Gene Ammons was zeker een saxofonist, die mij aansprak en ik liet hem ook weten, dat ik een groot bewonderaar was van zijn vader, de boogie-woogiepianist Albert Ammons. Maar voordat ik dat aan hem kenbaar maake, begon ik iets te spelen van Suitcase Blues. En toen pakte hij mij bij mijn schouders en zei: "You are playing my dad!" Dus hij begreep direct wat ik speelde. Het optreden van hem was echter niet top en Dexter verspeelde hem. Ze speelden bijvoorbeeld "Second Balcony Jump" en hij had moeite om Dexter bij te houden. Later hoorde ik van saxofonist Johnny Griffin, dat Ammons al ziek was." Tenorsaxofonist Hank Mobley "In 1968 heb ik ook Henk Mobley (1930-1986) begeleid samen met Kees See(dm) en Hans van Rossem(b) in jazzclub B-14. Ik kreeg een telefoontje uit Amsterdam, dat Hank Mobley naar Nederland kwam om opnamen te maken met de Skymasters en dat er aansluitend een kleine tournee werd georganiseerd door wat jazzclubs en of ik hem wilde begeleiden. Ik weet nog goed het moment, dat die man op het podium verscheen. Ik kende hem als een massale man van de foto's van de Blue Note LP's. Die foto's waren altijd een beetje van onderen genomen en toonden een forse man. En toen kwam er een vrij jong uitzien mannetje aan, net iets groter dan ik. Hij droeg zijn saxofoon op een heel nonchalante manier en die smeet hij dan vervolgens zo in de hoek bij de piano. Het postuur van de man viel me dus erg tegen. De repetitie die volgde was goed, maar de avond zelf viel erg tegen. Waarschijnlijk had hij wat gebruikt. Ik was toen erg teleurgesteld. Bepaalde stukken waren echt Mobley, maar over het algemeen speelde hij slap die avond. Later ontmoette ik hem in Parijs en heb ik hem opgezocht in zijn woning daar. Toen heb ik met hem op de Amerikaanse school gespeeld, met Art Taylor drums en Jim Wode bas en toen was het raak. Hij was goed in vorm. Ik weet nog wel, dat we eens een keer een repetitie hadden voor dat optreden en toen stonde er een heel stel van die zwarte jongens om heen en die zouden mij wel even van die pianokruk afschuiven. Ik liet dat toe, want ik had geen behoefte om erover te vechten. En midden in een stuk, met een begeleiding die veel te druk was en veel verpestte, stopte Mobley de band en floot naar mij, dat ik moest terugkomen. Mijn concurrenten dropen vervolgens af. Hank Mobley zuchtte altijd, dat hij moest concurreren met Art Blakey en Max Roach. En Dexter Gordon zuchtte altijd, dat hij moest concurreren met Art Taylor......, want die had een mooiere snor!" Art Blakey Jazzmessengers (1976) "Toen ik in 1976 thuiskwam van een televisieprogramma met o.a. Louis van Dijk en Daniel Wayenberg, wenkte mijn vrouw: "Kom nou gauw, want je moet naar België". "Hoezo dan". "Je bent gebeld door Art Taylor en die heeft je aanbevolen om met Art Blakey(1919-1991) And The Jazzmessengers te spelen". "En wanneer dan?". "Vanavond!". "Oh nee", zei ik, "maar dat doe ik niet".
Mijn vrouw heeft me uiteindelijk weten over te halen en met angst in mijn schoenen ben ik naar België vertrokken. Het geval wilde, dat pianist Mickey Tucker en de bassist waren vastgehouden in Londen, waarschijnlijk hadden ze "snoepgoed" bij zich! Dus Blakey zat zonder pianist en bassist. Ze hadden inmiddels tijdelijk bassist Cameron Brown van Archie Sep ingehuurd uit Parijs. Ik moest invallen voor Tucker. Ik was wel bezorgd voor die eerste avond, hoe moest ik dat allemaal waarmaken? Blakey stelde me gerust en vroeg: "Waar maak jij je nou zorgen om? Speel je 12 maten blues? Ja? Speel je een rythmschema? Ja? Waar lullen we dan nog verder over?" "Nou ja", dacht ik "dan zien we wel." In het begin waren het inderdaad blues en rhythm schema's, maar later kwamen de papperassen en die werden mij zo toegeworpen. Dat waren vaste stukken en toen moest ik als een gek lezen, akkoorden, obligatos en noem maar op. Het was behoorlijk zweten, hard werken. Ik was doorweekt van het zweet na dat optreden. Op het eind van die tien dagen bood Blakey mij een baan aan. Maar dat kon ik niet doen, want ik had een baan. "Welk orkest dan?" vroeg hij. Ik zeg: "Ik heb een kantoorbaan!" Dus hield het toen op. Mickey Tucker is uiteindelijk teruggekomen en ook weer weggegaan en toen is Walter Davis er bij gekomen. Ik vond het natuurlijk heel vleiend dat ik mee kon, maar hoelang had ik bij Blakey standgehouden? Hij wisselde regelmatig van bezetting en daarom vond ik het veel te riskant om met de Blakey-groep naar New York te gaan. En dan kom je terug in Nederland en dan moet je maar zien hoe je rondkomt.Art Blakey kon overigens heel zacht drummen.
Als hij je begeleidde, speelde hij heel zacht en geleidelijk zwol zijn volume aan.
Hij kon ook goed piano spelen. Een ander iets, dat mij opviel bij het spelen met Blakey, was de manier, waarop hij de drumsticks vasthield. Andere drummers hebben die los in de vingers en drummen echt vanuit de pols. Blakey had ze met beide handen echt vast en drumde meer vanuit zijn armen.Een veel gevraagd en gewaardeerd begeleider op het North Sea Jazzfestival (Jaren '70, '80, '90) Ik ben door de jaren heen door Paul Acket heel vaak ingezet op het North Sea Jazzfestival om de Amerikanen te begeleiden, te weten Frank Foster, Cecil Payne, Clark Terry, Teddy Edwards, Wynton Marsalis, Georgie Auld, Benny Waters, Buddy Tate, Al Grey, en noem ze maar op. Met Wynton Marsalis heb ik een Trumpet Summit gedaan met verder Roy Hargrove, Woody Shaw, Jimmy Owens en James Morrison. Dat was geweldig. Het werken voor het North Sea Jazz Festival vergt veel flexibiliteit. Ik ben vaak binnengekomen, dat ik in een achterkamer kennis maakte met de artiest en dan zeiden ze: "Oh, you're the piano-player", we gaan dit spelen en wat dacht je van dat? Kun je dat stuk in die toonaard spelen? Dan pak ik dat snel op en dan pas ik me aan. Maar ik ben wel altijd nerveus, want er kan altijd van alles gebeuren. Maar ik wilde het wel allemaal doen. Fout kan het altijd gaan en tot nog toe is het altijd gelukt en het blijkt, dat ik toch oren aan mijn hoofd heb.
Ik heb als begeleider altijd mijn rol bewust ervaren. Ik ben nooit met samenspelen begonnen, door te laten merken van "Oh wacht even, jullie moeten me bovenal horen". Nee, door het goed begeleiden en je terug te trekken in de begeleidingsrol wordt het geheel omhoog gebracht...Op een bepaald moment was er een ballad met Woody Shaw in die Trumpet Summit en hij wilde in die ballad twee andere akkoorden hebben en ik dacht, o jee, wat is dat gekunsteld. Maar ik kon er zelf van denken wat ik wilde, hij was er tevreden mee. Hij had een heel andere manier van benaderen. Joe Henderson had dat vroeger ook, bepaalde stukken trok hij helemaal uit elkaar. Maar ik speel met hen en het publiek moet geen twijfel signaleren in ons samenspel. Je hebt van die pianisten, die kunnen goed pianospelen, maar die begeleiden niet. Vooral vocalisten zijn daar heel gevoelig voor, dat heb ik ook gemerkt in mijn werk met o.a. Ann Burton".
Ann Burton (1986-1989) "Ik heb met de Nederlandse jazzzangeres Ann Burton al eind jaren '60 gewerkt, maar toen zij naar Japan ging en mijn partner niet mee kon, was dat voor mij einde verhaal. Van 1986 tot 1989 was ik haar vaste begeleider. Haar grote kracht was, dat ze teksten zo goed ten gehore kon brengen en wat ik van Ann ook altijd zo geweldig vond was, dat haar arrangementen altijd zo verzorgd waren. Het was duidelijk, goed gearrangeerd, maar ze nam ook vaak goede arrangeurs in de arm, mensen als Andrew Lloyd Webber. Ik vond Ann eigenlijk nooit echt bepaald zingen. Ik vond het meer talkative singing. Dat zei ik ook wel eens tegen haar. Ann was eigenlijk geen zangeres voor de grote zalen, maar voor de kleine zaal en dan zittend op een kruk met een klein publiek om zich heen. Verhalen vertellende zangeres en niet belcanto. Daar had ze ook de mogelijkheid niet toe". Van hardbop naar oude stijl-jazz "Mijn muzikale loopbaan is eigenlijk heel vreemd gegaan. Ik ben van boogie-woogie overgesprongen op de bebop en hardbop, na Don Byas, Hank Mobley en Cecil Payne ben ik daarna vervolgens teruggelopen naar oude-stijl jazz orkesten. Een van de eerste oude-stijl orkesten, waarbij ik gevraagd werd en waar ik kennis maakte met het oudere repertoire was eind jaren `60. The New Orleans Syncopators van George Kaatee. Ik zag dat toen niet zitten. Dat gaat stranden, dacht ik, maar George drong aan. In die tijd speelde klarinettist Jan Morks wel eens mee en ik weet nog wel, dat Jan zei: "Jouw stijl combineert wel met de mijne. Dat moetje blijven doen, dat willen we horen."
Vervolgens werd ik wel eens gevraagd door Roefie Hueting om hem te vervangen, als hij niet kon in zijn Down Town Jazz Band. Verder
ben ik midden jaren '70 mee gaan doen met The Swing Society van Jan Pieters in plaats van Paul Ruys. Tevens speelde ik begin jaren '70 wel eens mee met The Dutch Swing College Band, als de banjoïst uitviel. The D.S.C. bestond toen nog uit Peter Schilperoort, Ray en Dick Kaart, Bob Kaper, Henk Bosch van Drakestein (b) en Huub Jansen (dm).In 1977 werd ik gebeld door Bert de Kort. Hij had genoeg van de D.S.C. en wilde een eigen groep beginnen, The Dixieland Pipers, als opvolger van Eric Krans, die in 1975 was overleden. Bert heeft de naam overgekocht. Hij wilde met The Dixieland Pipers een tegenwicht vormen van de D.S.C. Hij had toen inmiddels Jan Morks (cl, ts), Dick Sleeman (tb), Nanning van der Hoop (dm) en Alfred Smidt (b) en hij zocht nog een piánist. Via Henk Bosch van Drakestein kreeg hij het advies om mij te vragen. "Je moet zeker Rob Agerbeek vragen, die heeft een paar keer meegedaan en dat bevalt wel". Bij The Dixieland Pipers begon mijn eigenlijke kennismaking met de oude-stijl jazz. Daar heb ik veel geleerd over het idioom van de oude-stijl". Botsing van stijlen? "In die tijd, de jaren '70, vroeg ik me altijd af: "Waarom vragen jullie mij? Ik speel toch helemaal niet dat stijltje. Mijn stijl van pianospelen past toch helemaal niet bij jullie?" Blijkbaar wist ik mijn stijl toch altijd weer zo om te buigen, dat het niet vloekte. Ik wist me aan te passen aan het idioom. Toch heb ik altijd aan mezelf getwijfeld. Ik heb in het begin ook het gevoel gehad, dat ik er niet bij hoorde. Ik dacht altijd: "Jullie kunnen toch ook iemand anders vragen?" Toch werd via, via gezegd: "Je moet Agerbeek vragen, die speelt boogie-woogie en het is toch een pianist, die in de oude stijl zijn roots heeft."
In dezelfde tijd bleef ik ook nog bop spelen met mijn kwintet (1969-1987), wel onderbroken door mijn werk voor The Swing Society van Jan Pieters en speelde ik boogie- woogie met mijn kwartet. Ik werd dan ook geconfronteerd met het feit, datje breder bent, dan het publiek je wil hebben. Mijn hop collega's vonden mijn boogie-woogie activiteiten al bedenkelijk, maar toen ik ook nog met oude-stijl orkesten ging werken werd er al helemaal meewarig gekeken: "Waar begin jij aan? Ga jij dixieland spelen? Ben je gek geworden?" Nu was het werk met Swing Society eigenlijk niet zoveel afwijkend van wat ik deed, het was maar een stap terug, maar The Dixieland Pipers was verschillende stappen terug;'In het begin heb ik me ook niet thuis gevoeld in die band. Toch had ik in zekere mate die ambitie, dat gevoel van: ook dat moet je kunnen spelen, wil je een beetje een totaal jazzpianist zijn. Ik wilde een "totaalpianist" zijn, maar zonder volkomen te liegen. Ik wilde mezelf ook niet verloochenen en ik vind wel datje erachter moet staan. Binnen het idioom van de oude stijl ga ik ook geen bebopakkoorden spelen, maar wel de jazzakkoorden van die oudere stijl en dat wilde ik me ook van harte eigen maken. Het was eigenlijk een omgekeerde situatie: in de bebop geoefend raken en toch weer gedwongen zijn terug te keren naar de basale akkoordenopbouw. Wat mij erg geholpen heeft, waren de piano-opnamen van Teddy Wilson, maar ook die van Ray Bryant. Een andere overweging om de cross-over te maken naar de oude stijl jazz was, dat mijn cross-over naar de boogie-woogie begin jaren '70 ook succesvol was geweest voor mij. Ik werd toen gevraagd door Chris Hinze om voor CBS boogie-woogieplaten te maken. Ik zag dat als een goede mogelijkheid om voor mezelf en mijn groep meer naamsbekendheid te krijgen. Als ik die cross-over niet gemaakt had, die grens niet zou hebben overschreden, dan zou ik elke keer in dat benauwde bebophokje zijn blijven spelen en niets bereiken qua naamsbekendheid. Eigenlijk zat ik daar bij CBS (1971 en 1973) heel opportunistisch een modus te zoeken om bij een breder publiek bekend te worden. Dat werd niet afgekeurd en ik werd er ook niet op afgerekend. Ik vond het daarom voor mezelf goed kunnen om de cross-over te maken naar de oude-stijl jazz eind jaren '70. Toch kan ik nooit van mezelf zeggen, dat ik een volkomen dixielandpianist ben geworden. Het pianistische pompwerk dat daarbij hoort, heb ik me inmiddels wel eigen gemaakt. Ik stel het mezelf pianistisch ook als eis, dat ik dat moet kunnen, maar het is niet de essentie van mijn stijl, dat zeg ik er ook eerlijk bij". Nuits de Jazz et Boogie In 1991 en 1992 was Rob Agerbeek te gast bij "Les Nuits de Jazz et Boogie " festival in Parijs, waaruit ook weer blijkt hoe hoog hij als boogiepianist wordt ingeschat. Ook op dit festival bleek Rob Agerbeek voordeel te hebben van zijn autodidactische achtergrond. "Door een bepaalde indeling kwam ik te spelen met Bob Sealey.
Hij wilde eens iets anders doen dan wat anderen doen en stelde voor een eigen blok te vormen". Als variatie stelde ik voor om de G-Flat Blues te spelen. Dus ik speelde in G-flat, dat is dus in de toonsoort Ges. Toen zei hij op een bepaald moment: "Dit gaat mij te ver, doe dat dan maar alleen!" En ik weet nog wel, toen ik dat opgenomen heb in 1975 voor Oldie Blues, dat diverse andere boogie pianisten zeiden: "0, dat hebben ze zeker in de studio omhooggetrokken of naar beneden gehaald, want ze geloofden niet, dat ik dat zo in Ges kon spelen. Maar dat kon ik makkelijk, omdat ik als autodidact en als kleine jongen begonnen ben met op de zwarte toetsen te spelen. Dus ik heb later ook nooit moeite gehad om in gekke toonaarden te spelen".The Grand Piano Boogie Woogie Train In 1996, '98 en '99 maakte Rob Agerbeek samen met de boogiepianisten Rob Hoeke en Jaap Dekker een schouwburgtournee met het programma The Grand Piano Boogie Train. Van dit gezelschap was Rob Agerbeek de nestor. "Ik ben in Nederland eigenlijk begonnen met de boogie-woogie samen met Hein van der Gaag, maar hij heeft dat pad tamelijk snel verlaten. Rob Hoeke wilde op een bepaald moment les van mij hebben. Hij was toen nog een heel net gekleed jongetje. Hoe doe je die linkerhand en hoe doe je dit en dat. Hij is daarvoor enkele keren bij mij thuis geweest. Ik kan niet zeggen, dat hij echt een leerling van mij is geweest, maar ik heb hem toch de beginlesjes gegeven. Ik speelde midden jaren '90 veel voor het Fred Racké programma Jazz op West, dat was allemaal jazz, met Scott Hamilton etc. Maar toen vroeg Racké, of ik ook een keer een boogie woogie programma wilde doen met twee andere pianisten. - Welnu, met Hein van der Gaag en met Jaap Dekker heb ik dat programma toen gedaan en dat werd een groot succes. Nadat Hein van der Gaag zich had teruggetrokken, nam André Valkering zijn plaats in. Gecombineerd met bluesgitarist Leo Unger hadden we een stampvolle zaal en ook die formule werd een groot succes. Jaap was in alle staten en zei: "Dat moeten we uitbouwen, dat ga ik regelen". Dat was in 1994. Na 2 jaar niets gehoord te hebben kreeg ik een telefoontje, dat alles rond was en zo is dat programma gestart. Jaap heeft toen een heel goed script geschreven ook met assistentie van mij, want hij wist niet erg veel over de oude-stijl boogie en hoe dat in Chicago was ontstaan. Met dat programma hebben we een paar jaar succesvol getoerd. Rob Hoeke had, vond ik, eigenlijk meer een rock & roll stijl. Hij speelde wel boogie-woogie op zijn eigen manier, maar we verschilden toch wel alle drie van elkaar. En ik mag wel zeggen, dat zij vonden dat ik het meest authentiek boogie-woogie speelde. Zij hadden meer hun eigen recept en d -at mengde goed met elkaar. Ieder van ons trok dan ook een eigen aanhang mee, waardoor de zaal vol zat". The Dutch Swing College Band vanaf 1999 "In de tijd, dat ik nog bij The Dixieland Pipers werkte, hielp ik wel eens uit bij The Dutch Swing College Band, met indertijd nog Peter Schilperoort als leider.
Na afloop van een optreden zei Peter Schilperoort op de terugweg in de auto: "Jij moet bij ons in de groep komen", waarop ik zei "Sorry, maar ik werk al bij The Dixieland Pipers". "Ja, dat weet ik, maar Bert de Kort is mijn eilandgenoot, daar ga ik wel mee praten". Maar toen zei ik: "Dan heb ik nog een mededeling: ik heb een kantoorbaan", en daar stuitte het toen op af, dat ging gewoon niet met het optreedschema
van Thé D.S.C. Het duurde vervolgens tot 1998, toen Bob Kaper mij belde en vertelde, dat Fred Murray de band verliet en dat ze graag hadden dat ik erbij kwam. Ik was inmiddels met pensioen, dus ik heb dat geaccepteerd. Ik ben toen in 1999 bij de band gekomen. Ik heb toen nog een half jaar gespeeld met in de groep Michael Varekamp en Bert Boeren. Later gingen die weg en toen kwamen de heren Kaatee er bij en Bert de Kort werd weer terug gevraagd.
Ik krijg veel lof over het boogieblok, maar het is absoluut niet mijn bedoeling me daarmee te onderscheiden van de anderen, want we zijn in feite één blok, één orkest. In het verle
den hadde band natuurlijk een banjo en het banjo-effect is om de akkoorden op een ritmische manier neer te leggen en niet alleen maar liggend, maar ook percussief. Ik probeer dan ookspercussief piano te spelen. Het is dan ook vaak op instigatie van George Kaatee, die dan zegt dat die liggende akkoorden een veel te "modern swingend" effect hebben en hij zegt dan: "Probeer het meer te pompen en percussief te spelen", en dat doe ik dan ook, want niet wil zeggen, dat er in de toekomst ruimte komt voor een banjoïst/gitarist".Geen spijt van je keuzes? "Nee, ik heb natuurlijk veel interessante aanbiedingen moeten afslaan zoals die van Art Blakey, maar mijn gezinssituatie noopte mij om geen escapades uit te halen. Ik had twee opgroeiende jongens en die wilde ik volgen en ik zag ook vaak situaties van geweldig succesvolle musici, die thuis bijna niet herkend werden en dat wilde ik niet: Ik heb misschien voor een jazzpianist een enigszins traditioneel burgerlijke instelling. Ik wil heerlijke muziek kunnen spelen, maar ook terug kunnen vallen op een goed thuisfront en niet het avontuur ingaan om na je 50-ste een beetje verzuurd te raken". Met dank aan Rob Agerbeek voor de zeer sympathieke medewerking aan dit interview. Het interview vond plaats op 7 mei en 22 oktober 2003. Rob Agerbeek discografie Voor de liefhebbers is er ook een Rob Agerbeek Discografie, samengesteld door Gerard Bielderman. (Eurojazz No 114) te bestellen bij Gerard Bielderman, Leie 18, 8032 ZG Zwolle. Tel: 038-4537821. Uit het interview met Rob Agerbeek bleek, dat hij een heel aantal van de in dit artikel besproken concerten thuis op tape heeft. Het zijn privé-opnamen en u zult deze niet terugvinden in de discografie. Het is te hopen, dat in de toekomst deze opnamen op cd zullen worden uitgebracht. Ze vertegenwoordigen uiteindelijk een kostbaar stukje Nederlandse jazzhistorie. |